editie 52 / november 2018

Uitgehold leenrechtstelsel is toe aan fundamentele herziening

Onderzoeksjournalist Marcel Metze onderzocht hoe de structurele uitholling van het leenrechtstelsel te keren is. Kernthema's in de discussie: vrijgestelde uitleningen in het onderwijs en de snelle groei van e-lending.

Uitgehold leenrechtstelsel is toe aan fundamentele herziening

Met het succes van de bibliotheken ontstond in de jaren negentig een omvangrijke "leenmarkt". Foto: Westend61 / Hollandse Hoogte

Rond 1990 gold het succes van de bibliotheken als een belangrijke oorzaak van de daling van de boekenverkoop. Door hen fors te subsidiëren had de over­heid een omvang­rijke "leenmarkt" gecreëerd, zo klaagden schrijvers en uitgevers, en lie­pen zij aanzien­lijke inkomsten mis. Ook in andere Europese landen klonk de roep om invoering van een leen- en verhuurrecht, met bijbehorende vergoeding. In 1992 kwam de Europese Raad van Minis­ters met een richtlijn. Drie jaar later legde Nederland het leen­recht vast in een wet. Auteurs en uit­gevers konden toestemming voor publieke uitleen niet weige­ren maar kregen in ruil recht op vergoeding. De Stichting Leenrecht mocht de uitvoe­ring gaan regelen. De onderhandelingen over de hoogte van de vergoe­ding en de bouw van een goed infor­ma­tie- en verde­lingssysteem kostten enkele jaren, maar eind 1998 kon de beta­ling begin­nen.

Uitlening van boe­ken via scholen levert auteurs geen vergoeding op

Boekenverkoop stabiliseert
Achteraf weten we dat het uitlenen van boeken via openbare bibliotheken in die periode ook zijn piek bereikte van rond 160 miljoen uitleningen per jaar. Eind jaren negentig zette een daling in die nog steeds voortduurt. Aanvankelijk was de hoop dat die werd veroorzaakt door een stijging van de boekenverkoop – die voor au­teurs, vertalers en uitgevers financieel aantrekkelijker is. Tussen 2000 en 2008 steeg die verkoop van een kleine 33 miljoen naar ruim 50 miljoen exemplaren. Toen brak de kredietcrisis uit en begon een verkoopkrimp die pas in 2014 tot staan kwam. Sinds­dien is de boekenverkoop gestabiliseerd op rond 40 miljoen, exclusief e-boeken.[1]

Een steeds dunner houtje
Al die tijd zakte de uitleen van fysieke boeken onstuitbaar verder in, naar 137 miljoen uitleningen in 2000, 116 miljoen in 2010 en 62 mil­joen in 2017, waarvan 30 miljoen boeken voor volwassenen en 32 miljoen jeugdboe­ken. Als dat zo doorgaat, zakt de teller bin­nen een jaar of vier onder de 50 miljoen.

Het feitelijke beeld is iets minder nega­tief. De uitleningen van fysieke boe­ken via scholen, in het kader van het pro­gramma De Bibli­o­theek op School (dBOS), en de uitlenin­gen van e-boeken moeten er eigenlijk bij worden geteld. Maar die compenseren de structurele daling van de pa­pie­ren uitleen via reguliere open­bare bibliotheken onvol­doen­de. Bovendien leveren ze de auteurs onder het huidige leenrechtregime geen vergoeding op. Daardoor bijten de boekau­teurs op een steeds dunner houtje: de vergoeding die Stichting Leenrecht naar hen over­maakte daalde tussen 2015 en 2017 van € 5,3 mil­joen naar € 4,8 miljoen en zal in 2018 verder zakken naar € 4,6 miljoen.[2]

De gemiddelde lees­tijd in boeken is (vrijwel) terug op het niveau van de jaren zeven­tig

De ontlezing is een feit
De meest gehoorde verklaring voor de structu­rele achteruitgang van de (fysieke) boekuitleen is ‘ontlezing’, vooral in samenhang met het groeiende aanbod aan audiovisuele media, in­ternet en sociale media. Die ontlezing is inderdaad een feit. Volgens het langjarig tijdbestedingsonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is het percen­tage lezers tussen 2006 en 2016 afgenomen van 90 naar 72 procent, en is de gemid­delde leestijd teruggelopen van 4,7 naar 3,4 uur per week. Bij elkaar genomen, en ge­compenseerd voor bevolkingsgroei, komt dat neer op een afname van 40 procent.

Meer films, muziek en spelletjes
De ontlezing is het grootst bij jonge­ren en lager opgeleiden. Daar heeft ook de opkomst van nieuwe me­dia het meeste effect. Niet-lezers spen­deren twee keer zoveel tijd aan com­municeren (mailen, sms, sociale media) als ferven­te lezers. Zij zijn ook meer bezig met kijken naar films, series, vlogs, enzovoort, luisteren vaker naar muziek en zijn drukker met spelletjes op de compu­ter en internet.

De ontlezing heeft vooral tijdschriften en kranten geraakt: daaraan wordt de helft minder tijd besteed dan vier decennia geleden. De gemiddelde lees­tijd in boeken is na een da­ling eind ja­ren negentig de afgelopen jaren juist weer (vrijwel) terugge­keerd naar het niveau van de jaren zeven­tig, al lezen we wel veel minder dan in het pre-televisietijd­perk.[3]

Veranderende rol van de bibliotheken
Omdat het boek relatief minder geleden heeft onder de ontlezing, kan dit verschijnsel maar ten dele verklaren waarom het aantal boekuitleningen in diezelfde jaren 2006-2016 zo on­geveer halveerde en ook in 2017 weer verder afnam. Daar spelen ook andere facto­ren een rol. Een belangrijke is de veranderende rol van de openbare bibliotheek. Over­heidsbezuinigingen en daaropvolgende sluitingen en fusies hebben het aantal biblio­theekorganisaties tussen 2006 en 2016 met een derde doen afnemen naar 156.

Dat komt deels door schaalvergroting (de fusies) maar ook het aan­tal vestigingen is afgenomen. De bibliothe­ken zijn bo­vendien op zoek gegaan naar nieuwe lezers. Ze zochten die vooral op de scholen en werden daarbij gestimuleerd door het overheidsprogramma de Bibliotheek op school (dBos), dat vanaf 2012 landelijk werd uitge­rold. Verder begonnen ze zich geleidelijk te transfor­meren van uitleencentra tot brede informatie- en activi­teitencentra en toegangspoorten naar kennis en cultuur. Sinds 2015 geeft een nieuwe Wet Stelsel Openbare Biblio­theekvoorzie­ningen hen daar ook meer ruimte voor.[4]

De onderwijsexceptie
Het bureau Ecorys, dat op verzoek van het ministerie van OC&W de leenrechtvergoedingen onderzocht, denkt dat de bibliotheekverschraling een kleine twintig pro­cent van de totale uitleendaling tussen 2006 en 2015 heeft veroorzaakt. Dat zou neer­komen op tien miljoen uitleningen, ware het niet dat een deel via het dBos-pro­gramma naar de scholen is verschoven. Dat is goed voor de nationale leescul­tuur maar niet voor het leenrechtstelsel. Onderwijsinstel­lin­gen zijn wettelijk vrijgesteld van leenrechtvergoedingen – de ‘onderwijsexceptie’. Ver­plaatsing van leenverkeer naar scho­len leidt dus tot een vermindering van het aan­tal uitleningen waarover zo’n vergoeding is ver­schuldigd.

Uitlening via schoolbibliotheken betekent jaarlijks een aderla­ting van een half mil­joen euro

Veel scholen houden uitleningen niet bij
Het is niet eenvoudig om dit effect in kaart te bren­gen. Omdat ze er geen vergoeding over hoeven te betalen, geven niet alle bibliothe­ken de schooluit­leningen op aan Stichting Leenrecht. Sterker nog, op veel scho­len wordt het aantal uitleningen niet eens bijgehouden. Verder is niet altijd helder van wie de schoolcollec­ties nu eigenlijk zijn en is ook het on­der­scheid tus­sen een "schoolbibliotheek" en een "openbare bibliotheekvesti­ging in een schoolge­bouw" soms nogal vaag.

Dat bemoei­lijkt ook het on­der­scheid tussen vergoedingplichtige en niet-vergoe­dingplichtige uitleningen. Ondanks deze onduidelijk­heden schat Ecorys dat toch wel zo’n vier miljoen uitlenin­gen van jeugd­boeken die eerst via openbare bi­blio­theken verliepen, nu via de schooluitleen lo­pen (schatting voor 2015). Voor de leen­rechtver­goeding betekent dat een jaarlijkse aderla­ting van een half mil­joen euro.[5]

Groeiende mismatch
De verschuiving van uitleningen naar – vrijgestelde - onderwijsinstellingen is een van de twee kernthema’s in de discussie over de erosie van het leenrechtstelsel. Zij staat symbool voor de toenemende mis­match tus­sen het vijfentwintig jaar oude leenrecht­stelsel en de recente ontwikkelingen op de leenmarkt. Al in 2015 constateerde Stichting Leenrecht in een marktverkenning dat naast de reguliere bibliotheek en de bibli­o­theek op school een veelheid aan nieuwe uitleenvormen aan het ontstaan is, zoals leeszalen, commer­ciële aanbieders, wijkwinkels, minibibliotheken, boek­spots, vrijwil­ligersbibliotheken en wat dies meer zij. Er schijnen intussen zelfs onbe­menste zelfbedieningsbibliotheken te zijn. ‘Allemaal voorbodes van een nieuw tijdperk voor de sector,’ schreef Stich­ting Leen­recht destijds.

Bij elkaar in boekenkasten kijken
Het was in die tijd al ruimschoots duidelijk dat het leen­rechtsysteem de gevol­gen daarvan zou gaan merken. De marktverkenning wees bij­voorbeeld op nieuwe commerciële initiatieven, met name rond e-lending, waarbij de klant niet meer per uitlening betaalt maar per abonnement on­beperkt kan lezen. En wat te denken van de op­komst van de deel­economie: "mo­derne apps op smartphones maken het nu al mogelijk om op afstand bij elkaar in boe­ken­kas­ten te kijken en boeken te delen. Men leent van elkaar in plaats van via een cen­trale plek", staat in dezelfde publicatie te lezen.

 

Collectie elektronische boeken
Het tweede kernthema in de leenrechtdiscussie is de uitleen van digitale boeken. Al een decennium geleden heeft Stichting Leenrecht gecon­cludeerd dat e-boeken niet zomaar onder het leenrecht konden vallen en dat uitgevers en schrijvers expliciet toestemming zouden moeten geven voor het uitlenen daarvan. Dat is anders dan bij fysieke boe­ken, waarvoor de toestemming als gezegd automatisch via de wet is geregeld. In 2010 en 2013 sloten de bibliotheken en toenmalig minister Bussemaker van OC&W zich bij die conclusie aan. Wel gaf de minister de Koninklijke Bibliotheek geld om een col­lectie van elektronische titels op te bouwen en daarvoor de benodigde leentoestemmin­gen te verwerven.

One-copy, multiple-user
In november 2016 bepaalde het Europese Hof dat e-boeken die op dezelfde wijze worden behandeld als fy­sieke boeken wel degelijk onder het leenrecht vallen. We spreken dan over het zogenoemde one-copy, one-user-model, waarin elk aange­schaft exemplaar maar aan één ge­bruiker tegelijk wordt uitgeleend. De uitge­vers vinden echter dat dit model niet bij digitale boe­ken past en vrezen dat het marktversto­rend zal werken.

De kern van deze nieuwe publicatie­vorm is natuurlijk dat één exem­plaar in principe onder een onbeperkt aantal gebrui­kers kan worden verspreid, het one-copy, multiple-user-model. Tegelijkertijd houden de uitgevers – net als de auteurs - natuurlijk wel een belang bij een vergoeding voor zo’n multiple-user-uitleen. Maar daarvoor zou hetzij het leen­rechtstelsel moeten wor­den aange­past, hetzij een andere oplossing worden gezocht.[6]

Op de helling?
In een door mijzelf - in opdracht van Stichting Leenrecht - geschreven boekje over de geschiedenis van het leenrecht uit 2015 meenden mijn gesprekspartners dat het hele leenrechtsysteem op de helling zou moeten. Het verst ging Arre Fockema An­dreae, die tussen 2007 en 2013 voorzitter is geweest van Stichting Leenrecht. Hij zei te hopen dat het hele - complexe en omslachtige - stelsel snel zou kunnen worden afge­schaft: ‘Waarom kun­nen we niet, zoals de hele digitale wereld werkt, een systeem heb­ben waarbij als een object wordt uitgeleend de uitlener dit automatisch meldt en de ma­ker automatisch 0,6 cent krijgt of weet ik hoeveel.’

De jubilerende Stichting Leenrecht formuleerde het in zijn tegelijkertijd verschenen marktverkenning wat voorzichtiger: we zijn toe aan een ‘op onderdelen meer eigentijdse en toekomstbestendige regeling.’[7]

Geen eenduidige cijfers
In de drie jaar daarna is zo’n regeling er niet gekomen en is het stelsel niet op de helling gegaan, zo moet worden geconstateerd. De gevolgen van de verschuiving van het lenen via scholen zijn in het al genoemde onderzoek van Ecorys, dat begin 2017 verscheen, onvoldoende in kaart gebracht, liet voorzitter Diederik van Leeuwen van Stichting Leenrecht in een brief aan de minister weten. Vol­gens Hanneke Verschuur, directeur van Stichting Lira, de auteursrechtorganisatie voor schrijvers, vertalers en freelance journalisten, is er op dit front sindsdien weinig gebeurd. ‘Daar ligt een rol voor OC&W,' voegt ze toe. Vooral het ge­brek aan eenduidige cijfers lijkt de discussie over dit onderwerp in de weg te zitten.

Uitleen-datawarehouse
Er is weinig kans dat die situatie op korte termijn verbetert. De Koninklijke Bibliotheek heeft in 2015 tot taak gekregen om alle uitleencijfers in één systeem bij elkaar te bren­gen. Arjen Polman, manager van Stichting Leenrecht, vertelt dat een eerste po­ging om zo’n landelijk uitleen-datawarehouse te bou­wen, is mislukt. De KB onder­neemt nu een nieuwe poging. Maar het te ontwik­kelen systeem moet communiceren met de - acht verschillende - systemen van de openbare bibliothe­ken én met het leen­rechtsysteem. Dat lijkt dus een uiterst gecom­pliceerde operatie te gaan worden, die nog een lange weg te gaan heeft.[8]

Groeispurt uitleen e-boeken
Sinds de uitspraak van het Europese Hof van eind 2016 is lang en veel gepraat over een ver­goeding voor de uitleen van digitale boeken. Tijdens die gesprekken steeg zowel het aantal verkochte e-boeken als het aantal uitleningen gestaag. Eind 2017 had de e-boekverkoop zeven procent van de markt bereikt. Terwijl de verkoopgroei wat lijkt af te vlakken, heeft de uit­leen in 2017 juist een groeispurt ingezet: de jongste gegevens van het Centraal Boek­huis (CB) melden een toename van 18 procent tussen het eerste kwartaal 2017 en het eerste kwartaal 2018. In totaal zijn nu rond 35.000 digitale titels voor uitleen beschikbaar, waarvan 21.000 via onlinebibliotheek.nl van de Ko­ninklijke Bibliotheek. Vooral abonnementen – zoals te verkrijgen via Leeslounge, Book­choice, Kobo Plus en Bookmate – zijn sterk in opkomst, en dan met name voor fic­tie en young adult/kinderboeken, aldus het CB.[9]

‘We zijn toe aan een op onderdelen meer eigentijdse en toekomstbestendige regeling’

Injectie van drie miljoen per jaar
Midden in deze dynamiek tekenden zes organisaties en het ministerie van OC&W op 3 oktober 2018 een convenant dat de vergoeding van e-lending al­thans voorlopig moet regelen. De oplossing bestaat feitelijk uit een injectie van de over­heid die in twee jaar tijd zal oplopen naar drie miljoen euro per jaar. Daarmee zal een vergoeding voor e-uit­leningen wor­den gefinancierd, die 50:50 tussen uitgevers en schrijvers/vertalers/ beeldmakers wordt verdeeld. Directeur Hanneke Verschuur van Stichting Lira wijst erop dat het hier geen wettelijke regeling betreft en dat de Auteurs­wet er dus niet voor wordt aangepast.[10]

Reparaties en uitbouwtjes
Voor degenen die in 2015, rond het 25-jarig bestaan van Stichting Leenrecht, riepen dat het leenrechtstelsel aan herzie­ning toe was, moet dit convenant welhaast over­komen als lapwerk. Iedereen is het erover eens dat het stel­sel rammelt en steeds meer gaten vertoont. Maar in plaats van structurele modernisering kiezen de betrokkenen vooralsnog liever voor reparaties en uitbouwtjes om het overeind te houden. Het is zeer de vraag of deze aanpak de erosie zal stuiten.

Marcel Metze

Voor ieder nummer vraagt Lira Nieuws een journalist van naam om een longread te schrijven. Onafhankelijkheid wordt daarbij uitdrukkelijk gegarandeerd, de onderwerpkeuze komt in overleg tot stand.

Marcel Metze (1952) is bijna vier decennia actief als (onderzoeks)journalist, historicus en auteur. Hij schreef honderden artikelen, tientallen essays en reportages, en een dozijn boeken – onder meer over Philips, de grote banken, het CDA en Rijkswaterstaat. In 2006 werd zijn biografie van Anton Philips genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. In 2015 schreef hij in opdracht van Stichting Leenrecht het boekje Het Kwartje van Nuis. Thans werkt hij aan de voltooiing van zijn politieke biografie van Shell

Gerelateerde artikelen
Leenvergoeding e-books voor schrijvers en vertalers via Lira
‘Deze wet geeft makers geen enkel dwangmiddel’


[1] Stichting Leenrecht, Leenrechtstelsel na 25 jaar onder de loep, 2015. NRC Handelsblad, 19 oktober 2016 – via https://bit.ly/2BYf7ER geraadpleegd op 7 oktober 2018. Stichting Lezen, Leesmonitor, geraadpleegd via https://www.leesmonitor.nu/nl/boekenvak op 7 oktober 2018. CB Boekenbarometer, 1e kwartaal 2018, geraadpleegd via https://bit.ly/2PlAmUX op 8 oktober 2018.

[2] E-lending: Koninklijke Bibliotheek, Bibliotheekstatistiek 2016. Uitlening via scholen: brief drs. D. van Leeuwen, voorzitter Stichting Leenrecht, dd. 22 juni 2017 aan de minister van OCW. Bron cijfers uitleningen 2017 en vergoeding 2018: Arjen Polman, manager Stichting Leenrecht.

[3] A. Wennekers, F. Huysmans, J. de Haan, Lees:Tijd, Lezen in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 2018. SCP definieert lezers als mensen die minimaal tien minuten per week lezen en fervente lezers als mensen die twee uur of meer per dag lezen. Leestijd boeken: Leenrechtstelsel onder de loep.

[4] Ministerie van OC&W, Bibliotheekvoorzieningen in Nederland – via https://bit.ly/2NqXW0R, geraadpleegd op 7 oktober 2018. Het dBos-programma ging in 2008 van start, maar kende eerst een pilotfase.

[5] Leenrechtstelsel onder de loep, 2015; Ecorys, Ontwikkeling van de afdracht van de leenrechtvergoedingen 2006-2015, maart 2017.

[6] Website Stichting Leenrecht, geraadpleegd 8 oktober 2018.

[7] Metze, M. Het kwartje van Nuis, p. 89-93. Leenrechtstelsel onder de loep, 2015.

[8] Brief Stichting Leenrecht aan minister van OC&W d.d. 22 juni 2017; telefoongesprek met Hanneke Verschuur op 27 september 2018; telefoongesprek met Arjen Polman, 26 september 2018.

[9] Nieuwsbericht Rijksoverheid 3 oktober 2018. CB E-book barometer 4e kwartaal 2017, geraadpleegd via https://bit.ly/2CwdpeL en E-book barometer 1e kwartaal 2018, geraadpleegd via https://bit.ly/2PlXvXn - beide op 8 oktober 2018. Een overzicht van digitale abonnementen is te vinden op de website ereaders.nl van uitgeverij/distributeur Audax.

[10] Nieuwsbericht Rijksoverheid 3 oktober 2018. De zes zijn: de Koninklijke Bibliotheek, de Vereniging van Openbare Bibliotheken, de Groep Algemene Uitgevers, de Auteursbond, de Stichting Lira en de Stichting Pictoright (beeldrecht).