Dag mevrouw Berk, dag lieve Marjan,
Ik maakte kennis met Marjan toen zij begin deze eeuw toetrad tot het Lira-bestuur, waarin ik penningmeester was. Wij zochten altijd een zo breed mogelijke waaier van bestuursleden uit de ‘schrijvende sector’, van scenaristen tot romanciers, van dichters tot journalisten tot vertalers.
Beeld: Ed van Rijswijk
En in Marjans geval waren we ook nog eens op zoek naar een goedverkopende auteur, dus wie konden we beter vragen dan ‘de koningin van het lichte boek’, zoals het weekblad Opzij haar eens had gedoopt. Marjan bleek een groot fan van Ian McEwan, van wiens werk ik al jaren de vaste vertaler was, en toen ik haar eens een vers verschenen vertaling bracht, zag ik in de tuin van het Occo-hofje voor het eerst een zelfrijdende grasmaaier. Die hadden ze daar Maaike genoemd, een naam waarin ik haar hand vermoedde en waar ik erg om moest lachen.
We raakten vrij snel bevriend, zeker toen ik verhaaltjes over mijn kleinzoon ging schrijven en zij maar al te graag op het lijstje ontvangers daarvan wilde. Ze publiceerde er zelfs nog eens een in haar Margriet-column. Ze had zelf ook een enorm warme band met een opa gehad en stak graag de loftrompet over de zegen van ‘goeie opa’s’. En telkens weer maande ze me ‘toch eens iets met die verhaaltjes te doen’ (oftewel er een boekje van te maken – onbegrijpelijk vond ze het dat ik dat niet deed).
Ook toen Marjan bestuurslid af was, bleef ze een trouwe vriendin van Lira. Jaarvergaderingen waren uitje en reünie ineen en alleen als ze te slecht ter been was, sloeg ze een enkele keer over. Met taxi en stok en rollator en vol stoute grappen bleef ze verschijnen. (‘Een aangenaam uitstapje met warm eten toe,’ noemde ze dat zelf.)
Ze was gul, wat te meer bleek toen ze – het is een bekend verhaal – een miljoen in de Lotto won. Haar hele familie werd getrakteerd op een trip Parijs en veel van de rest van het gewonnen bedrag verdween in de fundering van haar huis in Kalenberg, tenslotte gelegen in een moeras, dat van de Weerribben. We hebben ooit nog eens een onvergetelijke bestuursbijeenkomst bij haar thuis gehouden, met een etentje vooraf in Kaatje bij de Sluis in Blokzijl en op de terugweg een ommetje langs het graf van J.C. Bloem in Paasloo.
Gul was ze ook voor mijn kleinzoon, Flip. Toen ze een van haar boeken naar hem vernoemde (‘Het gaat niet over jou, maar ik vind “Flip” zo’n mooie naam,’ schreef ze hem via mij, ‘daarom heb ik het boek zo genoemd. Ik hoop dat je dat niet erg vindt dat ik jouw naam heb geleend voor dit boek’), vond ze bij de vierde druk dat Flip recht had op royalty’s: een tientje per druk, besloot ze. Maar omdat de mevrouw van de Primera haar niet goed had begrepen (al kan het ook andersom geweest zijn), ontving Flip per post een lege envelop. Daarna stuurde ze hem alsnog een iTunes-kaart (het was in zijn games-tijd) van 50 euro, dus met een tientje bonus en een heel lieve excuusbrief, waar hij weer met een bijna nog lievere brief (‘Beste mevrouw Berk, lieve Marjan’) op antwoordde.
En bijna altijd als ze een verhaaltje van me had ontvangen, belde ze even en babbelde honderduit met Flips oma voordat ik aan de beurt kwam. Of ze schreef toch op z’n minst, in kapitalen. ‘Hier alles nog even kreupel, maar goedgemutst. Je ouwe Berk.’ Totdat ook het lezen steeds moeilijker ging (door de trombose in haar ene oog na corona) en ook haar reacties opdroogden en ten slotte het onvermijdelijke einde volgde.
Beste mevrouw Berk, lieve Marjan, het was een voorrecht je te kennen.
Rien Verhoef, oud-penningmeester Stichting Lira
